Kluwer Accountancy Nieuws

HomeActueel › Sectoren › Flexibilisering van het BV-recht: de uitkeringstest

Flexibilisering van het BV-recht: de uitkeringstest

25-10-2011 10:40 Accountancynieuws nr. 18

Het wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht ligt bij de Eerste Kamer en het wetsvoorstel voor de bijbehorende invoeringswet is al enige tijd in behandeling bij de Tweede Kamer. De voorstellen behelzen onder meer een wijziging van het systeem van crediteurenbescherming. Deze bijdrage gaat in op dit nieuwe systeem en op de gevolgen daarvan voor de jaarrekening.

Het nieuwe systeem geldt bij uitkeringen van winst (dividend), uitkeringen van (onverplichte) reserves, uitkeringen wegens kapitaalvermindering en inkoop van eigen aandelen. Omwille van de leesbaarheid wordt in het vervolg van deze bijdrage uitgegaan van de uitkering van dividend.

 

Balanstest

Onder huidig recht mogen alleen uitkeringen worden gedaan voor zover het eigen vermogen hoger is dan het geplaatste kapitaal vermeerderd met de wettelijke en statutaire reserves. Het geplaatste kapitaal moet minimaal Euro 18.000 bedragen. Deze regels komen voor een belangrijk deel te vervallen. Een geplaatst kapitaal van Euro 0,01 is al voldoende. Bovendien behoort het geplaatste kapitaal niet langer tot het beklemd vermogen. Uitkeringen mogen namelijk al worden gedaan indien en voor zover het eigen vermogen hoger is dan de wettelijke en statutaire reserves. Deze ‘formule’ wordt in het nieuwe systeem ook wel de balanstest genoemd.

 

Voorbeeld: Balanstest

Het eigen vermogen van X BV bestaat uit aandelenkapitaal (€ 18.000), agio (€ 32.000), en een algemene reserve (€ 100.000). Het totale eigen vermogen bedraagt derhalve € 150.000. De aandeelhouders van X BV doen een voorstel om € 250.000 dividend uit te keren. Omdat er geen wettelijke of statutaire reserves zijn hoeft er geen balanstest te worden uitgevoerd. De uitkeringstest (zie hierna) zal moeten uitwijzen of de voorgestelde uitkering geoorloofd is.

 

Uitkeringstest

Naast de balanstest moet er een zogenaamde uitkeringstest worden uitgevoerd. Deze test volgt uit het nieuwe vereiste dat een door de aandeelhoudersvergadering voorgestelde uitkering door het bestuur van de vennootschap moet worden goedgekeurd. Daarbij moet het bestuur beoordelen of de vennootschap na de uitkering nog zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Die beoordeling wordt de uitkeringstest genoemd. Bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor tekorten die door ten onrechte goedgekeurde uitkeringen ontstaan.

 

Bij de uitkeringstest moeten alle relevante factoren in ogenschouw genomen worden, onder andere de liquiditeit, de solvabiliteit en de rentabiliteit. Het uiteindelijke criterium blijft echter of een vennootschap na de uitkering nog kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Hiermee wordt aangesloten bij de regeling voor surseance van betaling. In feite wordt van bestuurders verwacht dat zij beoordelen of de vennootschap na het doen van de uitkering niet binnen afzienbare tijd in de situatie van surseance terecht komt. De periode waarover de beoordeling zich zal moeten uitstrekken, zal in de regel ongeveer een jaar zijn, maar in bijzondere omstandigheden kan die periode ook langer zijn.

 

Het ligt voor de hand om de uitkeringstest uit te voeren op basis van een kasstroomprognose met bijbehorende balansprojecties, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met bankconvenanten (ratio’s), investeringen in vaste activa, uitbreidingen van werkkapitaal en dergelijke.

 

Voorbeeld: Uitkeringstest (1)

Het eigen vermogen van XYZ BV bestaat uit aandelenkapitaal (€ 18.000), agio (€ 232.000) en een algemene reserve (€ 750.000). Het totale eigen vermogen bedraagt derhalve € 1 mln. Het balanstotaal bedraagt € 3 mln. De solvabiliteit (uitgedrukt als percentage eigen vermogen ten opzichte van totaal vermogen) bedraagt 33%. De resultaten en cash-flow (EBITDA) van de onderneming zijn relatief stabiel en steeds positief. Hierin worden op afzienbare termijn geen belangrijke wijzigingen verwacht. Er zijn geen problemen met de liquiditeit of met de financiering. De aandeelhouders van XYZ BV doen een voorstel om € 250.000 dividend uit te keren. Hierdoor zou de solvabiliteit dalen tot 25%, hetgeen onder normale omstandigheden voldoende zou zijn. Om de positieve resultaten te kunnen blijven continueren is onlangs echter besloten om het assortiment uit te breiden. Als dat niet wordt gedaan, zal waarschijnlijk een belangrijk aantal klanten verloren gaan. De uitbreiding van het assortiment vergt een investering in werkkapitaal. Daarnaast zijn beperkte investeringen in materiële vaste activa benodigd. Uit een door de directie opgestelde liquiditeitsprognose die is gebaseerd op de begroting voor het komende jaar (inclusief de voorgenomen investeringen) blijkt dat er enige liquiditeitsspanning zal optreden, ook zonder dat dividenduitkering plaatsvindt. Het is daarom een reële mogelijkheid dat de vennootschap na het doen van een uitkering van € 250.000 in het aankomende jaar in surseance kan komen. Het bestuur moet weigeren zijn goedkeuring te verlenen aan het dividendvoorstel.

 

Het enkel aanvaarden van de kans dat een vennootschap na de uitkering niet langer kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zal vermoedelijk nog geen bestuurdersaansprakelijkheid opleveren. Dat zal pas aan de orde zijn als er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de vennootschap na de uitkering niet langer kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.

 

Voorbeeld: Uitkeringstest (2)

Stel dat uit de door de directie van XYZ BV opgestelde liquiditeitsprognose blijkt dat de kredietbehoefte het komende jaar binnen de marges van de kredietfaciliteit zal blijven, ook indien de voorgestelde dividenduitkering van € 250.000 plaatsvindt. Alleen door een bijzondere gebeurtenis zoals een onwaarschijnlijk te achten faillissement van afnemer A of B, of een onverwacht hoge claim uit de afwikkeling van de verkoop afgelopen jaar van deelneming C, zullen er in het komende jaar problemen met de financiering kunnen ontstaan. Er is daarom weliswaar een kans dat de vennootschap na het doen van een uitkering van € 250.000 in het aankomende jaar in surseance kan komen, maar dat is niet waarschijnlijk. Het bestuur mag niet weigeren zijn goedkeuring te verlenen aan het dividendvoorstel.

 

In geval van twijfel lijkt het voor bestuurders verstandig geen goedkeuring te verlenen aan de uitkering. Dit kan uiteraard leiden tot conflicten met de aandeelhouders.

 

Relatie met continuïteitsvraagstuk in de jaarrekening

De uitkeringstest laat zich goed vergelijken met de beoordeling van de continuïteit zoals die plaatsvindt in het kader van het opstellen (door het bestuur) of controleren (door de accountant) van de jaarrekening. Volgens de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving is er sprake van ‘gerede twijfel’ of ‘ernstige onzekerheid’ omtrent de continuïteit indien de rechtspersoon niet meer op eigen kracht aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen, maar daarvoor aanvullende medewerking nodig heeft van belanghebbenden (zoals aandeelhouders, investeerders of bankiers). Hieruit volgt dat bestuur en accountant pas van mening kunnen zijn dat er geen ernstige onzekerheid over de continuïteit bestaat, indien:

  • de rechtspersoon op eigen kracht aan zijn verplichtingen kan voldoen; of
  • de rechtspersoon niet op eigen kracht aan zijn verplichtingen kan voldoen, maar het wel vast staat dat de daarvoor benodigde aanvullende medewerking van derden wordt verkregen.

Als aan een van deze voorwaarden wordt voldaan, kan ook geconcludeerd worden dat de rechtspersoon ‘kan voortgaan met het betalen van zijn opeisbare schulden’. Feitelijk moeten bestuurders en accountants bij het uitvoeren van de uitkeringstest dus doen wat zij ook (behoren te) doen bij het opstellen respectievelijk controleren van de jaarrekening.

 

Gevolgen voor de jaarrekening

Als gevolg van de wijzigingen in het systeem van crediteurenbescherming zal voor de BV een tweetal wettelijke reserves vervallen. Dit betreft:

  • de wettelijke reserve minimumkapitaal; en
  • de wettelijke reserve voor verstrekte leningen ter verkrijging van aandelen in het kapitaal van de vennootschap.

 

Een aandachtspunt is de wettelijke reserve deelnemingen. De deelnemende vennootschap moet deze reserve aanhouden voor ‘uitkeringen die niet zonder beperkingen kunnen worden bewerkstelligd’ (artikel 2:389 lid 6 BW). Dit roept de vraag op in hoeverre een winstuitkering in het nieuwe systeem zonder beperking kan worden bewerkstelligd. Enerzijds hoort het geplaatst kapitaal niet langer tot het beklemd vermogen. Anderzijds is voor een dividenduitkering de expliciete goedkeuring van het bestuur vereist. Wij menen dat onder de nieuwe wetgeving bij deelnemingen in BV’s om de hoogte van de deelnemingsreserve te bepalen rekening moet worden gehouden met die vereiste goedkeuring. Het ligt dan voor de hand om te veronderstellen dat het bedrag waarvan aandeelhouders uitkering zonder beperkingen kunnen bewerkstelligen, moet worden beperkt tot ‘het bedrag dat rekening houdend met alle relevante omstandigheden naar verwachting binnen afzienbare termijn niet zal leiden tot insolventie’. Uit het voorgaande volgt dat daarvoor een test moet worden uitgevoerd die feitelijk overeenkomt met de uitkeringstest. Het bepalen van de hoogte van de wettelijke reserve deelnemingen zal in de toekomst dus lastiger worden.

 

 

Tot slot

Op bestuurders komt in verband met uitkeringen een belangrijke verantwoordelijkheid te rusten. Zij moeten gefundeerd beoordelen of de vennootschap na het doen van een uitkering niet binnen afzienbare tijd in de situatie van surseance terecht komt. Dergelijke uitkeringen zullen veelal moeten worden onderbouwd met kasstroomprognoses en balansprojecties. Accountants zal waarschijnlijk regelmatig worden gevraagd om te rapporteren naar aanleiding van een beoordeling van deze prognoses of te adviseren over de geoorloofdheid van uitkeringen. De werkzaamheden die daarvoor moeten worden uitgevoerd liggen voor een belangrijk deel in lijn met de bekende werkzaamheden die nodig zijn om te beoordelen of in de jaarrekening kan worden uitgegaan van de continuïteitsveronderstelling.

 

Dit artikel is een verkorte versie van het artikel ‘Het nieuwe BV-recht: praktische gevolgen van wijzigingen in het systeem van kapitaalbescherming’ in Update nr. 2, juli 2011, dat kan worden geraadpleegd via www.deloitte.nl/update.

 

 

[Corné Kimenai is senior manager op het Accounting en Auditing Center van Deloitte. Barend Verkerk is advocaat ondernemingsrecht bij AKD. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.]

02-07-2012

Notariaat laat ondernemers nadenken over bedrijfsvorm

19-06-2012

BDO brengt consequenties flexibilisering BV-recht in kaart

12-04-2012

PwC maakt implicaties flexibilisering BV-recht inzichtelijk

27-03-2012

Opstelten wil haast maken met flexibilisering BV-recht

Recente Vacatures

01-04-2014 Financieel Adviseur (m/v)
24-03-2014 Senior Auditor

Meer vacatures

In Accountancynieuws

weblog Fou-Khan Tsang

weblog Fou-Khan Tsang Fouk Tsang is lid van de hoofddirectie van Alfa Accountants & Adviseurs en lid van de redactie van Accountancynieuws.
14-03-2014 Kom naar het Tuacc...
Ben je nu op kantoor? Zit je thuis op de bank? Doe je ogen eens dicht en denk aan je werkweek! Wat zie je? Stapels...

Gratis nieuwsbrief
3x per week het laatste nieuws in uw mailbox!

Volg Accountancynieuws! 

  
   

Accountancy Nieuws is een product van Kluwer - © www.accountancynieuws.nl